Meer over spouw zelf
Een spouwmuur bestaat uit een halfsteens buitenmuur van ca. 110 mm dikte,
een halfsteens binnenmuur (bijvoorbeeld van kalkzandsteen), eveneens ca.
110 mm dik, met daartussen de spouw. De spouw had in het verleden een
breedte van 50 a 60 mm. Momenteel wordt de spouw, bij nieuwbouw, breder
gemaakt. Beide spouwbladen, zoals de muren genoemd worden, zijn onderling
met een aantal spouwankers gekoppeld. De spouw behoort via openingen,
bijvoorbeeld open stootvoegen, met de buitenlucht in verbinding te staan.
We noemen de spouw dan "geventileerd". 
Regenwater, dat door het buitenspouwblad - voornamelijk via het voegwerk
- de spouwruimte kan bereiken, wordt geacht daar te verdampen en via de
ventilatiestroom in de spouw zijn weg naar buiten te vinden.
Uit onderzoek naar de functie van de spouw, o.a. vastgelegd in diverse
publicaties van de Stichting Bouwresearch, blijkt echter steeds meer dat
aan de ventilerende werking van de spouw een geringe betekenis moet worden
toegekend.
Gebleken is, dat verreweg het grootste gedeelte van het vocht in de spouw
gewoon via capillaire zuiging van de gevelstenen zijn weg naar buiten
vindt. De mening overheerst dan ook, dat de belangrijkste functie van
de spouw niet de ventilerende is, doch die van het voorkomen van regendoorslag.
Een spouwconstructie behoeft, behalve wanneer het buitenspouwblad een
dampremmende werking heeft, dan ook geen ventilerende functie te hebben.
Dit betekent dat de spouw zonder bezwaar gevuld kan worden met isolerend
materiaal.
Een gelukkige omstandigheid, want een normale spouwmuur heeft slechts
een geringe warmteweerstand. Relatief veel warmte kan van de binnenzijde
naar de koudere buitenzijde afvloeien. Dit gebeurt door warmtetransmissie
(geleiding via materiaal), door convectie (warmtemeevoering door luchtstroom
in de spouw) en door warmtestraling.
Is de spouwruimte gevuld met een isolatiemateriaal dan worden de warmteverliezen
beteugeld door een grotere warmteweerstand van de spouwconstructie. Hoe
groter de warmteweerstand, des te beter de isolerende werking van de constructie.
De warmteweerstand (Rç) van een niet geïsoleerde spouwmuurconstructie bedraagt ca. 0,39 m² K/W of zelfs lager al naar gelang de klimatologische
omstandigheden.
Dit is onvoldoende om in de klasse "matig" van het normblad NEN 1068 "Thermische
Eigenschappen van Woningen" te vallen. Volgens de geldende voorschriften
moeten gevels van hedendaagse woningen, die met overheidssteun worden
gebouwd, een weerstand hebben van tenminste 2,5 m² K/W. De Rç waarde van gevels van bestaande
woningen mag 1,3 bedragen.
Door het isoleren van de spouwmuur stijgt de oppervlaktetemperatuur van
het binnenspouwblad. Naast de besparing in stookkosten heeft dit nog een
ander effect dat moeilijk in geld is uit te drukken: een duidelijke winst
aan behaaglijkheid. Door de afwezigheid van koude plekken in huis, wordt
de warmte gelijkmatig verdeeld.
|